1911

Homoseksualiteit in het strafrecht

Je bent hier: Canon » 1911 Homoseksualiteit in het strafrecht

Duizenden vervolgd en veroordeeld

 

In 1911 deed artikel 248bis zijn intrede in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht. Het stelde seksuele contacten met een minderjarige (jonger dan 21) van hetzelfde geslacht strafbaar, terwijl voor heteroseksueel verkeer de leeftijdsgrens 16 jaar was. Tot 1971, toen 248bis werd ingetrokken, zijn duizenden mannen en tientallen vrouwen wegens (vermeende) overtreding van het artikel gearresteerd en in vele gevallen veroordeeld. Ook in Utrecht.

 

Code Pénal

Van 1811 tot 1911 was het Nederlandse strafrecht gebaseerd op de Franse Code Pénal en waren homoseksuele contacten in de privésfeer niet strafbaar (zie het venster ‘1816 Dertig Utrechtenaren veroordeeld’). Wel werden er veel mannen opgepakt en veroordeeld wegens openbare schennis van de eerbaarheid (= seks waarvan anderen getuigen (kunnen) zijn).

In de loop van de 19e eeuw werden er verschillende pogingen gedaan om het strafwetboek te vernieuwen. Voorstellen om sodomie weer strafbaar te stellen, haalden het niet. De liberalen, toen meestal de meerderheid in de regering, vonden dat de overheid zich niet te veel moest bemoeien met wat er achter de voordeur gebeurde. Wel werd de strafwet in 1886 uitgebreid met artikelen ter bestrijding van pornografie en van seks met jongeren onder de 16 jaar.

 

‘Groeiende onzedelijkheid’

Twee ontwikkelingen zorgden er eind 19e, begin 20e eeuw voor dat de kansen groter werden op nieuwe strafbaarstelling van seks tussen twee mannen of twee vrouwen. De confessionele partijen, voor wie homoseksualiteit vooral een zonde tegen Gods geboden was, kregen meer politieke macht. Daarnaast bestond er een breed gedeelde zorg over de ‘groeiende onzedelijkheid’ waarvan in Nederland vooral in de lagere klassen sprake zou zijn. Vooral politici van christelijke huize waren daarnaast verontwaardigd over de geschriften en lezingen van artsen als Arnold Aletrino en Lucien von Römer en de jurist Jacob Anton Schorer. Zij beweerden dat homoseksualiteit meestal aangeboren is en dat homo’s daarom als gelijken behandeld moeten worden.

 

Artikel 248bis

Het christelijke Kabinet-Heemskerk (1908-1913) kwam met plannen om de zedelijkheidswetgeving te vernieuwen en aan te scherpen. Het voorstel van de rooms-katholieke minister van Justitie Nelissen bevatte echter géén artikel dat homoseksualiteit strafbaar stelde. Dat kwam er pas door toedoen van zijn partijgenoot Regout die de zieke Nelissen als minister was opgevolgd. De uiteindelijke tekst van het artikel luidde: ‘De meerderjarige die met een minderjarige van hetzelfde geslacht, wiens minderjarigheid hij kent of redelijkerwijs moet vermoeden, ontucht pleegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.’

 

Protesten

Zowel in het parlement als daarbuiten riep het voorstel naast bijval veel protest op. Tegenstanders in de Tweede en Eerste Kamer zagen het artikel als een eerste stap naar een totale strafbaarstelling van homoseksualiteit. Ze waren het oneens met de aanname dat verleiding altijd van de meerderjarige uit zou gaan. Zij wezen op het gevaar van chantage. Ze vonden dat de christelijke moraal sowieso niet bepalend mocht zijn voor het Nederlandse strafrecht. Minister Regout bracht daar tegenin dat hij vooral de jeugd wilde beschermen, omdat het ‘juist oudere homosexueelen zijn die verwaarloosde en moreel zwakke knapen bij voorkeur tussen 16 en 18 jaar door verleidingsmiddelen tot slachtoffers hunner lusten maken’.

Met brochures waarin ze de verleidingstheorie weerleggen en het aangeboren zijn van homoseksualiteit verdedigen probeerden Jacob Schorer en Hubertus Johannes Schouten (onder het pseudoniem ‘Mr. G. Helpman’) de parlementariërs op andere gedachten te brengen. Vergeefs: beide Kamers namen het wetsvoorstel, inclusief 248bis, over en al een maand later (juni 1911) trad de wet in werking.

 

Eerste Nederlandse homo-organisatie

Sommige tegenstanders van 248bis waren bang dat de wet ervoor zou zorgen dat homoseksuelen zich gingen organiseren en dat er juist meer over homoseksualiteit geschreven en gesproken zou worden. Ze kregen gelijk. In 1912 richtte Schorer samen met de artsen Arnold Aletrino en Lucien von Römer en de schrijver M.J.J. Exler de Nederlandsche Afdeeling van het Wissenschaftlich-Humantäre Komitee (WhK) op, de eerste Nederlandse homo-organisatie en daarmee voorloper van het COC. Het WhK, in 1897 opgericht door Magnus Hirschfeld en anderen, streed tegen de Duitse wetsparagraaf 175 die homoseksualiteit onder mannen verbood.

Tot 1940 zou Schorer – vrijwel in zijn eentje – blijven strijden tegen 248bis door het verspreiden van brochures en petities, het ondersteunen van homovriendelijke literatuur en het opvangen en adviseren van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen. Na de oorlog nam het COC het stokje over.

 

Duizenden slachtoffers

Er zijn zeker 5000 mannen en ongeveer 50 vrouwen op beschuldiging van overtreding van 248bis voor de rechter verschenen. Iets meer dan de helft werd veroordeeld, gemiddeld met drie tot zes maanden gevangenisstraf. Ook veel anderen brachten een tijd in de cel door omdat arrestatie in principe tot preventieve hechtenis leidde. Het grootste aantal rechtszaken vond plaats tussen 1945 en 1965.

De politie voerde in veel steden een actief beleid om mogelijke wetsovertreders op te pakken. Rechercheurs stonden op de uitkijk bij homoseksuele ontmoetingsplaatsen, deden invallen in kroegen, tijdens bijeenkomsten van informele vriendenkringen en na de oorlog in COC-sociëteiten, lieten jongens en mannen die verdacht werden naar het bureau komen, noteerden hun naam en signalement en lichtten ouders, huurbazen en werkgevers in. Kortom: ze dwongen veel homo’s en lesbo’s tot een verborgen leven waarin voortdurend de dreiging bestond in aanraking te komen met politie en justitie en vervolgens familie, vrienden, baan en huisvesting kwijt te raken.

 

Eerste Nederlandse homodemonstratie

In de jaren zestig veranderden de opvattingen over de overheid als zedenmeester. Protestantse en katholiek psychiaters als Tolsma en Trimbos verwierpen hun eerdere negatieve oordeel over homorelaties, net als het idee dat jongeren door verleiding homoseksueel werden. In 1969 kwam de Commissie-Speyer van de Nederlandse Gezondheidsraad tot dezelfde conclusie.

In dezelfde periode lieten ook homoseksuele en lesbische jongeren van zich horen. Omdat ze als minderjarigen geen toegang tot het COC hadden, waren in verschillende steden, waaronder Utrecht, Studentenwerkgroepen Homoseksualiteit opgericht en initiatieven genomen tot eigen sociëteiten (in Utrecht kwam Pann daaruit voort). Leden van die groepen togen op 21 januari 1969 naar het Binnenhof waar ruim honderd jongeren – met een flinke delegatie uit Utrecht – de eerste homodemonstratie in ons land hielden en afschaffing van 248bis eisten. Het artikel dat 60 jaar lang zoveel leed had veroorzaakt werd uiteindelijk in 1971 geschrapt uit het Wetboek van Strafrecht.

 

Maurice van Lieshout

 

 

Literatuur

 

Hansje Galesloot, ‘Bewaar mij voor de waanzin van het recht’. 100 jaar strafrecht en homoseksualiteit in Nederland (Amsterdam 2011). Brochure bij gelijknamige tentoonstelling in IHLIA.

Gert Hekma en Theo van der Meer (redactie), ‘Bewaar mij voor de waanzin van het recht’. Homoseksualiteit en strafrecht in Nederland (Diemen 2011).

Maurice van Lieshout (samenstelling en inleiding), Een groeiend zedelijk kwaad. Documenten over de criminalisering en emancipatie van homoseksuelen 1910-1916 (Amsterdam 1992). Daarin herdrukken van de brochures van Schorer en Schouten.

Theo van der Meer, ‘De invoering van art. 248bis Sr. in historisch perspectief’, Tijdschrift voor Genderstudies 22 (2019) 3, 249-269.

Illustraties

 

Jacob Anton Schorer publiceerde een brochure tegen 248bis en richtte in 1912 met anderen de Nederlandsche Afdeeling van het Wissenschaftlich-Humanitäre Komitee op (foto uit Theo van der Meer, Jonkheer mr. Jacob Anton Schorer, 2007)

Minister van Justitie E.R. Regout

Brochure van G. Helpman (pseudoniem voor H.J. Schouten) gericht aan leden van de Eerste Kamer, april 1911

Demonstratie op het Binnenhof 21 januari 1969 tegen artikel 248bis. In het midden Frank van Laar, besturslid van het COC en later bij veel Utrechters bekend als eigenaar van kookwinkel Potten & Pannen (foto Anefo Nationaal Archief)