1950

Oprichting COC Utrecht

Je bent hier: Canon » 1950 Oprichting COC Utrecht

Utrechts oudste LHBTI+-organisatie

 

1950 is het geboortejaar van de Utrechtse afdeling van het Cultuur- en Ontspanningscentrum (COC). Omdat de zedenpolitie op de loer lag, moest de organisatie voorzichtig opereren. In de tolerantere jaren zestig en zeventig namen het ledental en de activiteiten snel toe. Het trefcentrum aan de Nieuwegracht was daarvoor veel te klein, maar het duurde nog tot 1979 voordat COC-Utrecht een eigen pand kreeg.

 

Shakespeare Club

Het COC werd in december 1946 in Amsterdam opgericht als Shakespeare Club, wetenschappelijk-, cultureel- en ontspanningscentrum. Die neutrale naam verwees niet expliciet naar homoseksualiteit, maar onder geletterde homo’s was bekend dat Shakespeare ‘ook zó’ was.

Leden waren abonnees van het tijdschrift Levensrecht dat in maart 1940 van start was gegaan. Na de Duitse inval in mei van dat jaar werd de uitgave onmiddellijk gestaakt. Eind 1946 bliezen Niek Engelschman en Jaap van Leeuwen het blad nieuw leven in en stuurden het naar 180 moeizaam achterhaalde adressen van oud-abonnees en potentieel geïnteresseerden. De Shakespeare Club werd in 1947 omgedoopt tot Cultuur- en Ontspanningscentrum. Bij latere naamswijzigingen werd de afkorting C.O.C. – eerst mét en later zónder puntjes – gehandhaafd.

Hetzelfde jaar ging in Den Haag de eerste lokale afdeling van start, gevolgd door Rotterdam en Groningen (beide in 1949). Kort daarna was Utrecht aan de beurt.  Op 18 januari 1950 verzamelden zich 70 Utrechtse COC-leden in het NV-Huis aan de Oudegracht 245, waar later Tivoli zat. Het verenigingsblad Vriendschap schreef: ‘Deze eerste bijeenkomst van de kring Utrecht is ten zeerste geslaagd en er is een golf van enthousiasme en geestdrift over de Utrechtenaren gekomen die goede beloften inhoudt.’

 

Dubbelleven

In de jaren 40 en 50 konden homoseksuele mannen en lesbische vrouwen alleen in besloten kring zichzelf zijn. De meesten leidden een dubbelleven waarin ze voor de meeste mensen hun ‘geaardheid’ angstvallig verborgen hielden. Wie geluk had, was lid van een vrienden- of vriendinnenkring die regelmatig bijeenkwam in het huis van een welgestelde ‘gevoelsgenoot’.

In de grote steden konden homoseksuele mannen terecht in een paar kroegen waar je moest aanbellen en als nieuwkomer eerst gekeurd werd. Voor sekscontacten zochten mannen in Utrecht hun heil op ‘de baan’ (parken en urinoirs) of ‘rommelden’ wat op de achterste rijen van bioscoop Cineac of de Spoorbio (een omgebouwde treinwagon) op het Centraal Station. Altijd moest je beducht zijn voor de politie die actief jacht maakte op mannen die artikel 248bis overtraden (seks met een minderjarige van hetzelfde geslacht) of handelden ‘in strijd met de openbare zeden’.  Vanwege 248bis konden minderjarigen geen lid worden van het COC.

Lesbische vrouwen waren in deze periode vrijwel onzichtbaar. Om andere vrouwen te ontmoeten gingen de Utrechtse lesbiennes vooral naar De Schakel, de COC-sociëteit in Amsterdam.

 

Keurige burgers

Onder zulke omstandigheden was de komst van een eigen centrum meer dan welkom. Naast het bieden van ontmoeting, cultuur en vermaak wilde het COC wetenschappelijk onderzoek en een ‘humane behandeling van ‘homophielen’ bevorderen, psychische en juridische bijstand verlenen en homoseksuele prostitutie bestrijden. De vereniging distantieerde zich van de subcultuur van pisbakken en nichtenkitten, wilde bij zijn leden een gevoel van eigenwaarde ontwikkelen en pleitte voor langdurige vriendschapsrelaties. Ze wilde laten zien dat homo’s ook keurige burgers zijn die geen gevaar voor de jeugd vormen. Nieuwe leden werden in het begin alleen toegelaten als anderen voor hen garant stonden. Inschrijving gebeurde met de eerste letter van de achternaam en een cijfercode. Intern gebruikten de leden schuilnamen.

Hoewel er vanaf het begin ook vrouwen lid waren van het COC, waren zij ver in de minderheid, wat de aantrekkelijkheid voor nieuwe vrouwelijke leden niet begunstigde. Eind 1953 telde de afdeling Utrecht bijvoorbeeld 149 mannen en 16 vrouwen als lid.

 

Politie-inval

Het eerste onderkomen van COC Utrecht was de werfkelder van Oudegracht 333, het adres van de schrijfster Ina Boudier Bakker (1875-1966). Ze was de hospita van de eerste Utrechtse COC-voorzitter Joop Damen Sterck. Leden konden er iedere avond terecht. Op woensdagen en in het weekend was er een programma met klassieke muziek, lezingen, films of toneel. Soms werd er gedanst, wat officieel niet mocht omdat de club geen dansvergunning had. Bovendien was het volgens de lokale politieverordening verboden om met seksegenoten te dansen.

In juli 1952 glipten twee agenten naar binnen, zagen dat er gedanst werd en maakten proces-verbaal op. Omdat de voorzitter (toen Chris de Rijke) en andere onder druk gezette leden tegen Justitie bleven zeggen alleen voornamen van andere leden te kennen en zelfs niet te weten of dat de echte waren, werd de zaak geseponeerd. Het voorval en de eis dat nieuwe activiteiten tevoren  door de zedenpolitie goedgekeurd moesten worden schrok veel leden af. Eind 1952 werd de sociëteit wegens teruglopende bezoekersaantallen opgeheven.

 

Huiskamerbijeenkomsten

In de volgende jaren zwierf de afdeling van het ene naar het andere, meestal kale en ongezellige zaaltje. In 1957 besloot voorzitter Jacques Drabbe met toestemming van zijn hospita huiskamerbijeenkomsten te organiseren. Er ontstond een kring van een twintigtal mannen en enkele vrouwen. Toen de hospita op advies van haar huisarts haar instemming introk, brak een nieuwe periode van wisselende locaties aan.

Jacques Drabbe – schuilnaam ‘Jacques Durfteleven’ – was voorzitter van 1952 tot 1963. In 1960 werd hij tot erelid benoemd, in 2000 ontving hij de Maartenspenning van de stad Utrecht en in 2010 de Annie Brouwer-Korfprijs, de jaarlijks uitgereikte Utrechtse lhbti+-stadsprijs. Hij overleed in 2012.

 

Trefcentrum Nieuwegracht

Op 12 december 1964 opende de vereniging eindelijk een nieuw onderkomen in de werfkelder van het door Drabbe aangekochte pand Nieuwegracht 28. Met veel moeite werd een drank- en een dansvergunning verkregen. Op hoogtijdagen was het met 100 à 140 mensen dringen in de krappe ruimte. Het COC zou er bijna vijftien jaar blijven zitten tot het ruimtegebrek echt nijpend werd. In 1977 kocht de aan het landelijke COC verbonden Albrechtstichting het pand Oudegracht 221 aan. Maar het zou nog twee jaar duren voordat het COC Utrecht bovengronds ging.

 

Maurice van Lieshout

 

Literatuur

 

Maurice van Lieshout, ‘Cultuur, ontspanning en confrontatie. De eerste dertig jaar van het Utrechtse COC, 1950-1979’, Tijdschrift Oud-Utrecht 92 (2019) 3, 106-112.

Mariska van der Steege en Wanda Zoet (samenstelling en redactie), Durfteleven. Zestig jaar geschiedenis van het COC Utrecht (Utrecht 2010).

Vriendschap 4 (1950) februari, 15; idem 5 (1951) maart, 11.

Hans Warmerdam en Pieter Koenders, Cultuur en ontspanning. Het COC 1946 – 1966 (Utrecht 1987).

Illustraties

 

Sinterklaasviering van COC-leden midden jaren vijftig in het zaaltje van een Chinees restaurant aan het Vredenburg. Op de voorgrond 2e van links voorzitter Jacques Drabbe en op de achtergrond Gerard de Brie als Sint en Geurt Rensenbrink als Zwarte Piet. (foto particuliere collectie)

Programma van activiteiten in de Utrechtse COC-sociëteit in maart en de eerste week van april 1951 gepubliceerd in het COC-tijdschrift Vriendschap van maart 1951. (particuliere collectie).

Interieur (in 1942) van de Spoorbio, Centraal Station Utrecht, een van de publieke plekken in Utrecht waar homoseksuele mannen ‘met elkaar [konden] rommelen’. (foto wikimedia commons)

Jacques Drabbe (1928-2012) als 22-jarige. (foto particuliere collectie)

Het COC-trefcentrum zat van 1964 tot 1979 in de werfkelder van Nieuwegracht 28. Op de deur staan ‘Trefcentrum’, het toenmalige logo van het COC en de openingstijden. De foto dateert uit 1975. (collectie beeldmateriaal, Het Utrechts Archief)