Je bent hier: Canon » Verhalen » Van sodomiet naar homoseksueel

Van sodomiet naar homoseksueel

 

Niet alleen politie en justitie hielden zich in de negentiende eeuw bezig met mannen die het met mannen deden (om vrouwen maakten ze zich nauwelijks druk). Een hele stoet van binnen- en vooral buitenlandse ‘deskundigen’ zochten verklaringen voor afwijkende seksuele gedrag. Kenden we eerst alleen de sodomiet, in de loop van de eeuw deden onder anderen de pederast, de uranist, de urninde en de homoseksueel hun intrede.

In het begin van de 19e eeuw onderzochten gerechtelijk geneeskundigen de lichamen van opgepakte sodomieten op zoek naar sporen van anale penetratie. Harde bewijzen daarvan vonden ze zelden. Vanaf circa 1850 verschoof de aandacht van het lichaam naar de psychische gesteldheid van seksueel perverten en waren het vooral psychiaters die zich met hen bezighielden.

 

Aangeleerd of aangeboren?

Een kernvraag voor hen was steeds of homoseksueel gedrag aangeboren is of aangeleerd. De antwoorden op die vraag liepen nogal uiteen. Veel deskundigen waren het er wel over eens dat er zowel een groep perverten bestaat die zo geboren is als een andere die zo geworden is. Bij de eerste categorie zouden vooral erfelijke gebreken, degeneratie en krankzinnigheid een rol spelen, bij de tweede overmatige zelfbevrediging, wellust, zucht naar nieuwe prikkels en verkeerde opvoeding. In 1893 stelde de toen kersverse Utrechtse hoogleraar psychiatrie Cornelis Winkler dat ‘een urning per se [= uit de aard der zaak] een krankzinnige’ is.

Dat vond niet iedereen. Wel was er overeenstemming dat ‘verkeerde liefhebbers’ een maatschappelijk gevaar vormden, omdat ze vooral jongeren tot hetzelfde kwaad probeerden te verleiden. Pas tegen het einde van de 19e eeuw kwamen er medici die een ander geluid lieten horen en het bestaan van ‘normale’ homoseksuelen verdedigden.

 

Uranisme en homoseksualiteit

In die zelfde 19e eeuw liet ook een andere categorie ‘deskundigen’ voor het eerst publiekelijk van zich horen: mannen die zelf van mannen hielden, zoals de Duitse jurist en journalist Karl Heinrich Ulrichs (1825-1895) en de Hongaars-Oostenrijkse schrijver, journalist en vertaler Károly Kertbeny (1824-1882).

Volgens Ulrichs was de gelijkgeslachtelijke liefde aangeboren bij een mensentype dat hij omschreef als het ‘derde geslacht’. De mannelijke leden daarvan noemde hij ‘vrouwelijke zielen in een mannenlichaam omsloten’, de vrouwelijke leden ‘mannelijke zielen in een vrouwenlichaam omsloten’. Ulrichs gaf dit verschijnsel de naam uranisme en de mannen en vrouwen om wie het ging respectievelijk uranisten, uraniërs of urningen en urninden of urninginnen. Hij zette zijn ideeën uiteen in twaalf brochures die ook gericht waren tegen het Pruisische Wetboek van Strafrecht dat seks tussen mannen strafbaar stelde.

In zijn strijd werd hij gesteund door Kertbeny. Die verwierp echter de theorie van het derde geslacht en stelde als nieuwe begrippen homosexual en Homosexualität voor (van het Griekse ‘homo’ = zelf, eigen en het Duitse ‘sexual’ = betreffende het geslachtsleven). Tegenover de Homosexualist stond de Normalsexualist, in een latere publicatie vervangen door de Heterosexualist. De neutrale begrippen ‘homoseksueel’ en ‘homoseksualiteit’ die gebruikt konden worden voor allerlei relaties tussen seksegenoten braken internationaal door en zijn in allerlei talen nog steeds de meest gebruikte woorden.

‘Homosexueel’ en ‘homosexualiteit’ werden in het Nederlands voor het eerst gebruikt in het roddelboek Europeesche Hof-schandalen (Amsterdam 1872; vertaald uit het Duits) en pas weer twintig jaar later in de Geneeskundige Courant. Hetzelfde blad had al in 1870 in een (zeer negatieve) bespreking van twee van Ulrichs’ brochures de Nederlandse primeur van het woord ‘urning’.

 

Sekse- en genderdiversiteit

Aan het eind van de 19e eeuw werd de Duitse arts en seksuoloog Magnus Hirschfeld geïnspireerd door de ideeën van Ulrichs. In 1897 richtte hij met anderen in Berlijn het Wissenschaftlich-humanitäre Komitee (WhK) op, de eerste homo-belangenorganisatie ter wereld. Volgens Hirschfeld vormden uranisten naast mannen en vrouwen een derde geslacht en kende de natuur ook allerlei tussen- en overgangsvormen.

In hetzelfde jaar verdedigde de Nederlandse arts en schrijver Arnold Aletrino in het tijdschrift Psychiatrische en Neurologische Bladen de stelling dat er naast ‘normale’ heteroseksuelen ook ‘normale’ homoseksuelen bestaan met een aangeboren seksuele voorkeur. Psychiaters gaven volgens hem een vertekend beeld van homoseksualiteit, omdat ze alleen patiënten kenden en geen gezonde en gelukkige homoseksuelen. Vier jaar later was Aletrino ook de eerste die op een wetenschappelijk congres (het vijfde internationale congres voor criminele antropologie in Amsterdam) homoseksualiteit verdedigde als een normale variant van het geslachtsleven.

Hoewel de benamingen en definities niet helemaal dezelfde zijn, kunnen we stellen dat Hirschfeld en zijn navolgers al oog hadden voor een groot deel van de seksuele en genderdiversiteit die we nu kennen. In Nederland gold dat voor Lucien von Römer, een leerling van Hirschfeld, die begin 20e eeuw veel publiceerde over uranisme en verwikkeld raakte in allerlei debatten over de aard daarvan. Hij richtte later, in 1912, met Aletrino, de jurist Jacob Anton Schorer en de schrijver M.J.J. Exler een Nederlandse afdeling van het WhK op.

 

Hartstochtelijke vriendschappen

Naast de sodomiet, de uranist en de homoseksueel kende de 19-eeuwse mannen- en vrouwenliefde nog andere, wat meer elitaire verschijningsvormen. De romantische vriend- of kameraadschappen tussen zielsverwanten doen misschien nog het meest denken aan homo- en lesbische relaties van nu. Met één groot verschil: de 19e-eeuwse hartsvrienden en hartsvriendinnen lieten het meestal in het midden of ze ook een erotische relatie met elkaar hadden.

Een Nederlands voorbeeld van een intieme mannenvriendschap is die tussen de dichters Willem Kloos en Albert Verwey in de jaren 80 van de 19e eeuw. Het inspireerde Verwey tot de sonnettencyclus ‘Van de liefde die vriendschap heet’. Minder stormachtig en tot het eind in wederzijdse trouw verliep ruim honderd jaar eerder de vriendschap tussen de schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken.

Dan waren er nog mannen die een voorkeur hadden voor een al of niet platonische relatie met een adolescent en de knapenliefde uit de Griekse oudheid tot voorbeeld namen. Zij werden vaak als pederast aangeduid, al werd datzelfde woord in de 19e eeuw ook gebruikt voor bedrijver van anale seks of als algemeen scheldwoord naast sodomiet, sodomieter, flikker of ‘van den zachten zijn’.

 De schrijver Johannes Kneppelhout was een vurig bepleiter van de pedagogische vriendschap. Zijn bekendste protegee was tussen 1864 en 1874 wonderkind-violist Jan de Graan, die echter onbewogen bleef onder alle aandacht en geld van Kneppelhouts kant.

 

Psychopathia sexualis

In de 19e eeuw kregen homoseksuele mannen en in mindere mate lesbische vrouwen een stem. Niet alleen Ulrichs en Kertbeny namen het woord. Dat gold ook voor talloze anonieme mannen en vrouwen van wie het autobiografische verhaal als ‘gevalsbeschrijving’ terechtkwam in de psychiatrische vakliteratuur. Het meest bekende werk – vele malen herdrukt en in vele talen vertaald – was Psychopathia sexualis (1886) van Richard von Kraft-Ebing. Omdat het vele casestudies of ‘waarnemingen’ bevatte, bereikte het boek ook een groot lekenpubliek.

Voor veel homoseksuele en lesbische lezers moet Psychopathia sexualis de eerste kennismaking met de ervaringen van andere homoseksuelen geweest zijn. De casussen (zo’n veertig in de eerste Nederlandse vertaling uit 1896-1897) presenteren mensen met een scala aan identiteiten en met gevoelens die ze zelf als iets natuurlijks ervaren. Ze verhalen over het gemak waarmee sommigen al op jonge leeftijd seks met seksegenoten hadden. Ze getuigen van soms langdurige vriendschapsrelaties tussen twee mannen of twee vrouwen die lastig maar niet onmogelijk blijken. En ze onthullen dat er ontmoetingsplaatsen en netwerken van urningen bestaan en dat homoseksualiteit voorkomt onder alle rangen en standen. Naast al die nuttige en bemoedigende informatie moesten de homoseksuele en lesbische lezers dan wel op de koop toenemen dat Krafft-Ebing hen ziekelijk en gestoord blijft noemen. Maar zo voegt hij eraan toe – een enkele uitzondering daar gelaten – ze zijn eigenlijk niet te genezen.

 

Maurice van Lieshout

 

Literatuur

 

Robert Aldrich (redactie), Van alle tijden, in alle culturen. Wereldgeschiedenis van de homoseksualiteit (Amsterdam 2006).

Hans Hafkamp en Maurice van Lieshout (redactie), Pijlen van Naamloze Liefde. Pioniers van de homo-emancipatie (Amsterdam 1988).

Gert Hekma (samenstelling en inleiding), Honderd jaar homoseksuelen. Documenten over de uitdoktering van homoseksualiteit (Amsterdam 1992).

Gert Hekma, Homoseksualiteit in Nederland van 1730 tot de moderne tijd (Amsterdam 2004).

J. Kneppelhout, Opvoeding door vriendschap. Toegelicht door Marita Mathijsen en Frank Ligtvoet (Amsterdam 1980).

J. Kneppelhout, Een beroemde knaap. Ter herinnering aan Jan de Graan. Bezorgd door Marijke Stpart-Eggen (‘s-Gravenhagde 1981).

Richard von Krafft-Ebing, Leerboek der zielsziekten van het geslachtsleven vooral met het oog op de tegennatuurlijke geslachtsdrift. Met 191 waarnemingen over Sadisme, Saphisme, Masochisme, Fetischisme, Bestialiteit, Homo-sexualiteit, Paederastie enz. enz. 2 delen (Amsterdam 1896-1897).

Maurice van Lieshout, ‘Wetenschappelijke controverses over criminelen en homoseksuelen. Het vijfde Internationale Congres voor Crimineele Antropologie in Amsterdam, 1901’, Amstelodamum. Tijdschrift voor de kennis van Amsterdam 108 (2021) 4, 213-230.

Harry Oosterhuis, Stepchildren of Nature. Krafft-Ebing, Psychiatry and the Making of Sexual Identity (Chicago / London 2000).

 

Illustraties

 

Karl Heinrich Ulrichs (uit Jahrbuch für sexuelle Zwischenstufen1 (1899))

Károly Maria Kertbeny, ca 1865 (fotograaf onbekend, uit Goodbye to Berlin? 100 Jahre Schwulenbewegung (Berlin 1997))

Betje Wolff en Aagje Deken (gravure A. Cardon 1784, Literatuurmuseum Den Haag)

Zitting van het vijfde Internationale Congres voor Criminele Antropologie in de aula van de Universiteit van Amsterdam, september 1901. De arts Arnold Aletrino verdedigde het bestaan van ‘normale’ uranisten tijdens dit congres. (Archief en Documentatiecentrum van de Nederlandse Gedragswetenschappen)

Titelpagina Nederlandse vertaling (1896-97) van Richard von Krafft-Ebing, Pyschopathia Sexualis.